Componisten/uitvoerenden: Antonín Dvorák | Dmitri Sjostakovitsj | Michail Glinka
Opnametechniek: Sabrina ter Horst
In het kleine altvioolwereldje is Roeland Jagers een grote. Bij het Concertgebouw vonden ze dat wij dat weleens mochten weten.
De altviool raakte tegen het einde van de zeventiende eeuw overvleugeld door zijn kleine broertje de viool. Voortaan had ze geen solofunctie meer maar werd ze verdoemd tot de rol van vulstem. Niettemin zijn er altijd mensen geweest die het nasale, iets doffere geluid van de altviool mooier vonden dan de viool. Dat geldt niet in de laatste plaats voor de Russen, die altijd al een voorkeur voor het duistere hadden. Glinka bedacht de altviool al in de negentiende eeuw met een solosonate, Sjostakovitsj deed dat op het eind van zijn leven.
Roeland Jager is, zoals u begrijpt, de solo-altist in deze sonates. Maar hij is ook lid en mede-oprichter van het Rubens Kwartet. In strijkkwartetten heeft de altviool altijd een rol, en al in de tijd van Mozart en Haydn kreeg dit instrument geregeld een stukje solo. Nog mooier wordt het in het strijkkwintet, waarin (meestal) twee altviolen in plaats van één spelen. Mozart maakte deze vorm groot, en ook Dvořák waagde zich er twee keer aan (van zijn drie strijkkwintetten heeft er één een andere bezetting). Zijn Strijkkwintet opus 97 schreef hij rond dezelfde tijd als zijn Strijkkwartet nr. 12 opus 96. Dat kwartet kent u misschien als het ‘Amerikaanse kwartet’ (of, zoals men vroeger zei, het ‘Negerkwartet’). Het kwintet kent dezelfde muziekstijl, waarin Amerikaanse invloeden met Boheemse invloeden in een gouden formule worden afgewisseld. Dvořák doet dat zo handig dat het eigenlijk geen zin heeft om uit te maken waar nu precies de Boheemse thema’s lopen en waar de Amerikaanse. U zit gewoon te luisteren naar muziek je meteen mooi vindt, maar nergens anders op lijkt en destijds helemaal nieuw was.